Citadelpark Gent

Buskruitfabriek Cooppal Wetteren

Vliegvelden WO I Regio Gent

WO I Munitiepark Kwatrecht

De Dodendraad

De Hollandstellung - Duitse WO I bunkerlinie

Reichsschüle Flandern - SS-School Kwatrecht

Duitse Atlantic Wall Radarpost - Goldammer

WOI en II Munitiedepot De Ghellinck Zwijnaarde

Duitse gangen onder centrum Gent WOII

Schuilplaatsen voor havenarbeiders Gentse kanaalzone uit de koude oorlog

Het Fort van Eben Emael

KW-linie

WO I - Kwatrecht - Melle

18 daagse veldtocht gekoppeld aan TPG

Neergestorte B17 te Kwatrecht 19-09-1944

De bevrijding WO II van de regio rond TPG

Toestand Belgisch leger ten tijde van mei 1940

Gesneuveldenlijsten:

Contact en onbeantwoorde vragen

Media-aandacht

Copyright

Links

Beschrijving Bruggenhoofd Gent.

De bouw van Bruggenhoofd Gent als onderdeel van de Belgische fortificatiepolitiek.

De Bouw van Bruggenhoofd Gent is maar een klein onderdeel van de ganse fortificatiepolitiek die plaats had over het ganse Belgische grondgebied. U krijgt hier een chronologisch overzicht hoe deze fortificatie verliep voor Belgie vanaf eind jaren '20 tot de hel losbarstte in mei 1940.

Korte beschrijving van de toestand van het Duitse leger ten tijde van mei 1940

In de periode tussen januari 1934 en december 1939 had Duitsland maar liefst 90 Miljard Deutsche Reichsmark gespendeerd aan de uitbouw van zijn nieuwe leger. In een periode van drie jaar, 1934 tot 1937 was het Duitse leger uitgegroeid van 125.000 naar 800.000 soldaten.

Het zou reeds van bij de eerste uren dat Duitsland België aanvalt op 10 mei 1940, bewijzen nieuwe, op dat moment revolutionaire technieken toe te passen. Het zal de geallieerde landen verrassen met zijn Blitzkrieg. Een oorlogvoering gebaseerd op zeer beweeglijke en goed georganiseerde troepen. Dit staat letterlijk lijnrecht tegenover de courant toegepaste statische oorlogvoering die op dat moment massaal geldend was binnen gans Europa. Een oorlog waarbij iedereen zich massaal verdedigd via Forten en bunkers, was hier nu net het tegenovergestelde van.

Binnen deze Blitzkrieg zal het massaal gebruik van parra's of troepen die met zweefvliegtuigen worden gedropt, ook perfect passen. Zonder de uiterst goed voorbereide aanvallen met zweefvliegers op het oninneembare Fort van Eben Emael en de bijhorende nabijgelegen bruggen over het Albertkanaal, had de Belgische verdediging, het zeker langer uitgehouden. Vanaf de grond was het fort van Eben Emael inderdaad oninneembaar. Vanuit de lucht was het al veel zwakker. De Duitse aanvallers waren dus wel letterlijk de eersten die het uiterste belang van oorlogvoering vanuit de lucht inzagen.

Duitse Infanteristen Duite Parachutist Duitse Infanterist met MP38

Links: Duitse Blitzkrieg, snel oprukkende infanteristen proberen een dorp in te nemen - Centraal: Duitse parachutist, zeker bij aanvang van de oorlog, de Duitse elitetroepen - Rechts: Duitse Infanterist met MP38 (Foto's: Collectie Lecturama)

Overzicht van het Duitse leger anno mei 1940.

De basis van het Duitse leger werd nog altijd gevormd door een goed georganiseerde Infanterie.

Deze was al heel wat mobieler dan diezelfde infanterie tijdens WO I. Toch zouden zich nog altijd massa's troepen zich te voet dienen voort te bewegen.

Schets links: Een Duitse infanterist (gekend Duits schetsenboek)

Standaarduitrusting Duitse Wehrmacht soldaat in gevechtsuitrusting. Dit voorbeeld behoorde origineel tot een verkennerseenheid. We herkennen duidelijk als behorende tot de wapenuitrusting het basiswapen, de K98 met opgestoken bajonet. 2 steelgranaten (model 24), een eiergranaat (model 39) en een kogelband voor een zware mitrailleur. Op de rug draagt hij ook nog een reserveloop voor een MG34. Buiten de bewapening zien we ook nog gans de oorlog, ondanks niet meer effectief toegepast, het gasmasker opduiken. Daarnaast nog zichtbaar: kogeltassen, schop, ransel, gamel, drinkbus,... (Foto's: Gazette des uniformes - n°23 Jan-Feb 1975)

links en rechts: doortrekkende Duitse infanteristen in de meidagen '40 (Beide foto's: Replica)

Daarnaast waren er vergeleken met WO I toch wel al meer mechanische hulpmiddelen om de troepen sneller te laten doortrekken. Toch was dit tijdens de meidagen nog beperkt. Naast voetvolk waren er wel heel wat troepen die zich verplaatsten per fiets, de cyclisten. De grote massa was echter nog altijd te voet, op de fiets of met kar en paard.

Op dat gebied wordt ons beeld van de Duitse blitzkrieg nog altijd zwaar scheefgetrokken door oude Duitse propagandafilmpjes die natuurlijk altijd dat sterk gemotoriseerde en gepantserde leger toonden, vaak nog in volledig in scene gezette filmpjes.

Links: een standaard Duitse Cyclist - Rechts: fraaie Duitse kleurenpostkaart met cyclisten (Beiden: Replica)

Ook aan Duitse kant werden cavalerie-eenheden meer en meer geautomatiseerd, onder andere met motoren. Dit was ook de situatie in het Belgische leger op dat moment. Dit wil zeker niet zeggen dat er geen cavaleristen te paard meer opdoken. Beide vormen van Cavalerie bleven zeker naast elkaar zichtbaar. Het valt ook niet te negeren dat de Duitse aanvaller in de gebieden die het wist te bezetten vlot alles meenam en hergebruikte wat in zijn verdere veldtocht van dienst kon zijn. Motoren hoorden daar zeker bij.

Boven: Duitse cavalerie trekt op 10 mei 1940 de Duits Luxemburgse grens over (Foto: Replica) - Onderaan links: Duitse motor met sidecar in sterk vernielde stad of dorp (Foto: Bundesarchiv: Werber Robert - Onderaan rechts: Duitse motorrijder.(Foto: Replica)

Het Duitse basiswapen was nog altijd gebaseerd op het Mauser geweer, model 98. Vanaf 1935 werd dit de aangepaste versie Mauser model 98K, meestal afgekort als K98. Ondanks dat het basismodel reeds dateerde uit eind vorige eeuw en reeds massaal werd gebruikt tijdens WO I, was dit zeker nog altijd een zeer goed en efficiënt wapen. Het zou geleidelijk aan tijdens de oorlog vervangen worden door het Gewehr 41, en nog later het Gewehr 43, beiden half automatische wapens. Ondanks de betere en nieuwere versies van karabijnen, zou men het oudere K98 geweer blijven tegenkomen bij Duitse troepen tot en met de val van het Duitse Rijk. In totaal werden er wereldwijd van dit ontwerp 5 miljoen gebouwd waarvan er ongeveer 2.8 miljoen dienst deden bij het Duitse leger in de 2e Wereldoorlog. Ook het Belgische leger gebruikte ten tijde van de meidagen '40 massaal de Mauser 1935, zie hier de link waar nog meer info is terug te vinden over de wapens gebruikt binnen het Belgische leger rond dezelfde periode.

De K98 was een grendelgeweer. Toch was het een vrij precies wapen waardoor het ook veelvuldig gebruikt werd door scherpschutters. Het wapen was bijkomend ook zeer gemakkelijk te voorzien van een aangepast vizier om dit mogelijk te maken.

Het kaliber van het wapen was 7.92 mm en het werd standaard geladen met strips van 5 kogels alhoewel het zonder problemen ook zonder deze strips geladen kon worden op basis van losse patronen. Het vuurbereik was maximaal 4 a 500 meter.

Boven: Didactische kaart van een Mauser K98. Foto midden: een intact K98 geweer (www.bunkergordel.be) - Volgende rij: 2 foto's van K98 geweren in gebruik tijdens WO II (Beiden: Replica). Onderaan: K98 als scherpschuttergeweer (Foto: Replica)

De standaard handmitrailleur was in het begin de MP38 (Machinepistole model 1938). Het ontwerp was van Ingenieur Vollmer van de Ermafabriek. In de volksmond ging men dit wapen vaak ook een Schmeisser noemen. Deze naam kwam namelijk voor op het munitiemagazijn. Het wapen werd zeker nooit effectief ontworpen of gemaakt door Schmeisser die wel degelijk ook een wapenfabrikant was. Schmeisser stond enkel in voor de productie van de laders. De originele MP38 was een zeer verfijnd en soms te verfijnd automatisch wapen. Dit maakte het zeer gevoelig aan stof en vuil waardoor het vrij snel blokkeerde. Het wapen werd dan ook wegens te grote vraag tijdens de oorlog amper 2 jaar later vervangen door de sterk gelijkende MP40. Deze laatste was iets minder verfijnd en daardoor beter geschikt voor massaproductie.

Bovenaan: Schetsen van de MP40 zoals terug te vinden in de originele handleiding van dit wapen: "Die Machinepistole 40 - Beschreibung und handhabung" p12-13. Onderaan: MP40 in koffer met bijhorende laders en onderhoudsmateriaal (Foto: Replica)

De verschillen tussen beide types zijn zeer nihil en op vele foto's nauwelijks zichtbaar.. De gemakkelijkste wijze om ze van elkaar te onderscheiden, is te kijken naar het stukje juist boven de lader. Dit is ribvormig gelijnd bij de MP38 en glad bij de MP40.

De gevulde laders dienden met de open kant naar onder in de kogeltassen opgeborgen te worden. De handleiding raadt ook aan laders niet permanent geladen te houden maar deze maar gevuld te bewaren zo lang als nodig om ze zo optimaal werkend te houden.

Het kaliber van deze wapens was 9 mm. Deze wapens waren voorzien van laders voor 32 of 64 kogels en hadden een vuursnelheid van 500 a 550 schoten per minuut. Hun vuurbereik was vrij beperkt tot een 200 tal meter. Uiteindelijk waren dit aanvalswapens met de bedoeling te doden of verwonden al maaiend van vrij kortbij. Omdat het wapen ook volledig uit metaal was en bv geen houten handgrepen had, kon het bij intensief gebruik vrij heet worden en brandwonden veroorzaken.

Nadeel aan deze mitrailleur was dat hij enkel als automatisch wapen instelbaar was. Voordeel was dan weer dat zijn vuursnelheid niet zodanig hoog lag zodat een geoefend schutter er wel in slaagde door voorzichtig genoeg om te gaan met de trekker het wapen schot per schot te gebruiken.

Alleen al van de MP40 werden er ongeveer 1.2 miljoen gemaakt en gebruikt binnen het Duitse leger. In eerste instantie waren dit de typische wapens voor parachutisten en tankbemanning omdat ze vrij compact waren. In een latere fase van de oorlog werden ze zeer algemeen binnen de infanterie gebruikt.

Foto's Linkboven en Links midden: voorbeeldfoto's MP38. Boven de lader zie een lijnvormig geribd gedeelte dat zeer specifiek is voor dit model ten opzichte van de MP40. (www.deactivated-guns.co.uk) - Foto's rechtsboven en rechts midden: Hetzelfde wapen type MP40 (www.gunpics.net) - Linksonder: Duitse soldaat met MP38. Hier zie je heel duidelijk de ribbels op het stuk boven de lader. (Serie: Unsere Mutter, Unsere Väter) - Foto rechtsonder: Duitse soldaten met een MP40 (www.stormfront.org)

Qua zware mitrailleurs waren er mogelijks 2 courante types in gebruik. In eerste instantie was dit de zware Maxim mitrailleur, model 1908. Dit type mitrailleur was eveneens in gebruik op dat moment bij het Belgisch leger. Zie hiervoor deze link. Het wapen had letterlijk één zwaar minpunt, zijn gewicht.

Het enige wel degelijk van belang zijnde opmerking die hierbij dient te worden gemaakt is dat beide types van mitrailleur onderling niet compatibel waren van toegepaste munitie. Deze was dus beperkt verschillend tussen de Belgen en de Duitsers op dat moment. Indien de ene dus een mitrailleur van de andere wou verder gebruiken, was men tevens dus ook verplicht de bijhorende munitie te hebben. Dit is ook een belangrijke opmerking om mee te nemen in je achterhoofd als je strijdverhalen over die periode leest.

Enkele fraaie zichten om opgestelde Duitse Maxim mitrailleurs. De bovenste foto is allicht zelfs genomen ergens aan de Franse kusten, dus vermoedelijk rond de bevrijding. Bij deze mag het dus duidelijk zijn dat deze mitrailleurs zelfs tot dan dienst hebben gedaan bij bepaalde eenheden. (Alle foto's: Replica)

Allicht was hier en daar bij de inval in België ook de MG34 mee in gebruik. Het valt te betwijfelen gezien de gewone infanterie zeker nog de Maxim MG08 gebruikte. Mogelijks was de MG34 in gebruik bij sommige pantsergroepen.

De MG34 was een ontwikkeling ontstaan uit het bundelen van de goede zaken van verschillende bestaande wapens tot een degelijke op het slagveld bruikbare mitrailleur. Het wapen zou in verschillende Duitse fabrieken geproduceerd worden.

Het wapen was bruikbaar als infanteriemachinegeweer tot op afstanden van 1200 meter, als luchtafweer tot 3500 meter. Dit type van wapens onderscheidde zich vooral door de hoge vuurfrequentie. Zo had deze een schietsnelheid van 800 a 900 schoten per minuut (wat zeer hoog ligt).

Het kaliber van kogel was opnieuw de 7.92 mm (idem als de Maximmitrailleur). Qua uitvoering vindt men zowel het model met kogeltrommels (50 kogels in enkele uitvoering en 75 kogels bij dubbele uitvoering) terug als dit met kogelbanden. De trommel was handiger wanneer het wapen vlot diende te kunnen bewegen (in voertuigen of als luchtafweer). Bij opstellingen waarbij het wapen werd gevoed met kogelbanden (per 250 kogels) was altijd onder andere door de hoge vuursnelheid een tweede persoon nodig om de kogelbanden vlot in het wapen te laten lopen. De kogelbanden waren bijkomend opgebouwd uit lengsels van telkens 50 kogels die werden samengevoegd tot grotere banden van 250 kogels.

Om een MG34 in degelijke staat te behouden, moest men officieel per 250 a 300 schoten na elkaar de loop wisselen. Daarom was er bij elke mitrailleur steeds een reserveloop en asbesthandschoen aanwezig om dit vlot te kunnen uitvoeren.

Het was qua productie een zeer duur wapen want er was bijna 50 kg staal nodig voor de productie van 1 mitrailleur. Daarnaast was het zeer gevoelig aan stof en vuil en kon het hierdoor blokkeren. Toch was het aan Duitse kant een zeer graag gebruikte mitrailleur.

Het wapen had ook verschillende mogelijke opstellingen qua voet. Heel populair was de versie die was voorzien van een eenvoudige tweepoot vooraan. Dit kon zeer eenvoudig meegenomen worden bij bv de veldtochten. De totale mitrailleur woog op dat moment amper 12 kg.

Daarnaast bestonden er nog een 3 tal verschillende types van voet waarbij het wapen zijn totale gewicht ging wijzigen van 19 kg tot 36 kg per mitrailleur. Het mag dan ook meteen duidelijk zijn dat bepaalde uitvoeringen zeker niet geschikt waren om voortdurend te moeten verhuizen.

Enkele foto's van gebruik van de MG34 mitrailleur. De meest passende foto's voor wat zich hier kan hebben afgespeeld zijn deze van dit type mitrailleur met de 2-poot vooraan. (Alle foto's bovenste 2 rijen: Replica). Onderaan 2 foto's van Duitse schuttersputten, telkens verdedigd met bijhorende MG34. Vermoedelijk zijn dit 2 foto's van de Duitse veldtocht in Rusland. (foto links: Replica - foto rechts: boek Wenn alle Bruder Schweigen)

De standaard gebruikte handgranaten, waren de typisch Duitse steelgranaten. Het eerste type van dit soort granaten werd reeds in 1915 in de strijd gegooid tijdens WOI. Dit type van handgranaten, model 24, zou aan Duitse kant nog gans WO II gebruikt worden. Het ontwerp is eigenlijk nooit echt zwaar aangepast geweest.

Wat men af en toe in de velden nog terugvindt bij metaaldetectie zijn de specifieke dopjes van achterop de steel zoals op de foto hiernaast nog te zien.

Schets links bovenaan: Detailschets Duitse steelgranaat model 24 (F.M.G. Handbuch für Lehrer un Schüler - Berlin 1935) - Foto's bovenaan rechts: Foto's van enkele sterk gelijkende en toch beperkt verschillende types steelgranaten (Foto's Replica) - Schets links onder: Schets uit een gekend schetsenboek - Foto rechts onder: Een Duitse aanval waarbij de soldaten duidelijk de steelgranaten mee in aanslag houden (Foto: Replica)

Net zoals bij de Belgen waren er courant mortieren voorzien. Bij de Belgen waren dit standaard per peloton 3 DBT granaatwerpers. Aan Duitse kant was dit per peloton 1 lichte mortier 8 cm, model 1934 of 1 lichte mortier 5 cm, model 1936. Daarnaast duiken toch ook nog vlot foto's op van mortieren gemonteerd op een frame, net zoals een kanon. Dit waren de tegengangers van bij de Belgen de 78 mm mortieren. Een model trouwens dat ook aan Duitse kant nog hier en daar blijkt op te duiken. Grote nadeel van deze laatste, opnieuw zijn grote gewicht.

(Foto: Collectie Cedric Lippens)

Foto's boven: Mortieren tijdens de Duitse veldtochten in gebruik. (Foto links: Coll. Lecturama - Foto rechts: Boek Wenn alle Bruder Schweigen). Onderaan mortieren op wielen gemonteerd. Dit werden ook vaak Obusiers genoemd. (Beide foto's: Replica)

Het standaard anti-tankgeschut bij aanvang van de meidagen was de 3.7 cm PAK (Pantzer Abwehr Kanone) versie 1936. Dit pantserafweergeschut bleek bij aanvang te voldoen om lichtere tanks uit te schakelen maar bij voldoende bepantsering, werden ze te licht bevonden.

De standaardprojectielen afgeschoten met dit geschut wogen ongeveer 700 gr. Dit kon worden afgevuurd met een snelheid van 745 m/s. In latere periodes zouden nog aangepate granaten ontworpen met koppen van 370 g dewelke konden worden afgevuurd met een snelheid van 1020 m/s (Pzgr40).

Grote voordeel aan dit wapen was zijn mobiliteit. Het was origineel bedoeld om getrokken te worden door paarden maar zeer vaak duiken er foto's op waar de manschappen zelf een dergelijk afweergeschut meetrekken. Het kon in nood eenvoudig verplaatst worden vanaf een tweetal aanwezige personen.

Dit type van pantserafweergeschut duikt in de meidagen zeer courant op tot in de voorste lijnen van het front. Ik vermeld dit maar omdat de mogelijkheid om met zwaarder geschut op te rukken tijdens de 18-daagse veldtocht in België sterk bemoeilijkt werd door het massaal opblazen van bruggen over kanalen en rivieren door terugtrekkende geallieerde (Belgische) troepen. Dit zou in vele gevallen het zwaarste geschut zijn die bij Duitse aanvallen in de frontlijn beschikbaar hadden gedurende de eerste dagen van strijd aan bepaalde frontlijnen.

Het doorboringsvermogen was sterk afhankelijk van de afstand waarop het projectiel werd afgevuurd alsook het type granaat. Voor Standaard werd gerekend op een maximaal vuurbereik van 2 km. Vanop 100 meter konden diktes tot 64 mm gehaald worden. Vanaf 500 meter was dit nog amper de helft (31 mm). Op 1000 of 1500 meter, was dit nog amper 20 mm. Bovenstaande getallen zijn geldig voor Pzgr40. De basisversies liggen allicht amper rond de helft.

Ondanks af en toe licht uitvallend, zou het wapen dienst blijven doen tot 1942. Rond die periode werd het geleidelijk aan vervangen door zijn 5 cm variant.

Het was vaak het eerste iets zwaardere wapen dat de frontlijn wist te bereiken en werd dan ook niet alleen gebruikt om vijandelijke pantsers uit te schakelen. Foto links boven: Een PAK 36 die een kruispunt bezet houdt, mooie kleurenprent (Foto: Replica). Rechts boven: Een PAK36 die door zijn begeleiders, zoals het meestal gebeurde, wordt getrokken bij gebrek aan paarden (Foto: Replica). Foto rechts midden: een aanval op de toegang van een bunker met een PAK36. (Foto: Replica). Onderaan 2 foto's van dergelijke PAK-wapens tijdens de veldtocht. (Foto links: Replica - Foto rechts: Boek Wenn alle Bruder Schweigen)

Daarnaast dient het toch zeker gezegd te worden dat dit wapen zeker de mindere was van de Belgische C47 kanonnen. De vuurkracht en efficiënte van de Belgische gebruikte variant domineerde zeker deze van zijn Duitse tegenganger. De Belgische C47 zouden dan ook na de overrompeling en kapitulatie van België zeer vlot verder gebruikt worden tijdens de rest van de veldtocht door de Duitse troepen. In hun terminologie, werd dit geschut bekend als de PAK185.

Duitse soldaten die vlot Belgische veroverde C47 kanonnen inspecteren alvorens op te nemen binnen hun eigen bewapening. (Foto links: Replica - Foto rechts: Ebay)
De Duitse troepen die België binnenvielen beschikten wel over heel wat Pantsers. Alleen werden deze gigantisch opgehouden door de terugtrekkende Belgen die massaal infrastructuur en bruggen opbliezen bij hun terugtrekken. De Duitse pantsers raakten hierdoor dan ook nooit tijdig tot bij de Duitse oprukkende infanteristen. Deze dienden dan ook vaak zonder deze steun op te rukken.
Duitse oprukkende Pantsers

Zo zijn er allicht tijdens de aanvallen op Bruggenhoofd Gent van Duitse kant bitter weinig Duitse Pantsers tot in de voorlinies geraakt tijdens de enkele dagen dat hier hard gevochten werd. Vergeet niet dat het zwaarder materieel eerst diende over de Dender te geraken waar geen enkele brug heel was gebleven door vernielingsoprdachten van het Belgische leger. (Foto: Replica)

Qua artilleriegeschut was de Duitse invaller zeker goed voorzien. Zeer gevreesd om zijn vuurkracht was het 88 mm Flak (Flieger Abwehr Kanone) kanon. Dit werd zowel als artillerie gebruikt als voor luchtdoelgeschut. Voor beide functies was het een zeer doeltreffend wapen. Het 88 mm Flak kanon is op foto's vrij gemakkelijk te herkennen omdat het op een vierpoot staat opgesteld. Het kanon is standaard niet voorzien van wielen. Om het geheel te verplaatsen stond het op een dubbele dolly van 2 keer 2 wielen. Het kanon zat er als het ware tussengeklemd. Om het kanon effectief te gebruiken, dienden beide gedeeltes van rond het kanon weggenomen te worden en het geheel gemonteerd op vaste grond. Dit had dus wel als nadeel dat het kanon gemonteerd achter (meestal) een halftrack niet bruikbaar was zonder het te demonteren. Bij vervoer diende men trouwens het kanon te verplaatsen met de loop naar voor gericht (in de richting van het trekkende voertuig) wat gebruik achter het voertuig opnieuw nog eens onmogelijk maakte.

Links boven: een 88 mm FLAK achter een halftrack. Je ziet hier duidelijk hoe het op wielen wordt meegetrokken. Om het te gebruiken diende dit volledig afgekoppeld en op de vaste ondergrond geplaatst. Rechts boven: Een 88 mm FLAK opgesteld als kanon om directe doelen uit te schakelen. Vergeet niet dat dit 88 mm kanon ook hetzelfde kanon is dat later in de fameuze Tijger en Pantertanks zou worden ingewerkt als kanon. Onderaan: twee blikken op in het veld opgestelde 88 mm kanonnen (Alle foto's: Replica)

Naast de Flak 88 mm beschikten de Duitse invaller nog courant over gelijkaardige types van geschut die wel degelijk op een rijdend onderstel stonden. Dit waren echter zeker nooit 88 mm kanonnen maar 100 of 150 mm geschut.

Probleem is dat het niet zo evident is op foto's duidelijk het verschil tussen beiden te zien. Beide kalibers konden namelijk gemonteerd worden op een zo goed als identiek onderstel. Doordat deze wapens op een onderstel stonden en dus rechtstreeks konden meegetrokken worden met bv een Halftrack, waren ze natuurlijk ook veel sneller opstelbaar en inzetbaar dan de eerder gemelde FLAK 88.

Het 100 mm geschut stond gekend als "10 cm Schwere Kanone 18"

Bovenste foto: Dit zou een zwaar artilleriestuk zijn dat effectief hier zou opgesteld moeten geweest zijn aan Bruggenhoofd Gent. Of het klopt, is tot op heden moeilijk te bevestigen. (Foto: Collectie Jacques De Vos) - Foto's onderaan: nog 2 10 cm kanonnen (Foto's: Replica).

Het tweede type geschut op eenzelfde onderstel, was de "15 cm Schwere Feldhaubitze 18". Het enige duidelijke verschil tussen beide types zou hem zitten in de lengte van de loop. Deze is 5.46 meter lang bij de 10 cm variant en 3.98 meter bij de 15 cm Feldhaubitze.

Een viertal foto's van dit zwaardere geschut. (Foto's: Replica).

Ook blijken er toch nog wel af en toe heel zware Mörser kanonnen mee gesleurd te worden achter halftracks. Van deze konder er ook in de nabijheid van Bruggenhoofd Gent wel enkele gespot worden kort na de dagen van strijd hier. Ook dit type artillerie geraakte in het algemeen veel te laat door de vele vernielingen waar men ze eigenlijk nodig had. (Foto: Ebay)

De loop van een Mörser-kanon was 6.5 meter lang en werd apart op een Rohrwagen (2 grote wielen zoals hierboven) vervoerd. De affuit die bij de loop hoorde werd nog eens apart vervoerd op een 3-asser met luchtbanden. Het geschut met bijhorende wagens om het te verplaatsen woog in totaal 22.7 ton. Apart opgesteld woog het kanon 16.7 ton. De diameter van de kogel had een doorsnede van 21 cm. Eén granaat woog 113 kg in geval een een exploderende brisantgranaat en 121 kg voor een massieve betongranaat. Daarnaast was in dit geval de lading die het projectiel diende af te vuren gescheiden van het projectiel zelf. Een enkele granaat werd bij het laden gedragen door 4 man en was verpakt in een gevlochten rieten huls. Voor het gebruiksklaar maken van dit type van geschut mocht men toch op een 2 tal uren rekenen.

Als rechtstreeks geschut op bunkers diende ondanks de zware projectielen, het kanon vrij kortbij opgesteld te worden, wat zeker niet evident was omdat het dan ook snel geriposteerd kon worden door vijandelijke artillerie. Vanaf een 8 tal kilometer werd de doeltreffendheid van dergelijke projectielen trouwens ook al vrij zwak. Men diende de bunker te treffen via een vlakke baan. Daarom dat men voor die taak al veel sneller de 88mm FLAK ging gebruiken die veel sneller opstelbaar was en zeker even doeltreffend was op dat gebied.

Naast deze types duiken er her en der nog wel foto's op met nog wat andere minder courant nog in gebruik zijnde militair materiaal. Dit heeft er ook mee te maken dat er ook in het Duitse leger nog wel oudere artillerie zal gecirculeerd hebben die bij bepaalde eenheden werd toegevoegd. Vergeet ook niet dat de Duitsers vrij courant het militaire materiaal hebben aangeslagen dat zij bij veldtochten op verslagen troepen hebben weten te veroveren en nog bruikbaar was.

Ook in de lucht, had de Duitse Luftwaffe in mei 1940 de overhand.

Als er iets was waar de Duitse bezetter ten opzichte van de geallieerde aangevallen troepen boven uitstak, moet het wel zijn overmacht in de lucht geweest zijn bij de inval in België. Van bij aanvang van de Duitse inval was er een gigantische Duitse Luftwaffe op de been. Deze was ook van in het begin van de inval opgedeeld in twee totaal gescheiden afdelingen. Zo had men enerzijds het gedeelte van de Luftwaffe dat zich bezig hield met het ondersteunen van de grondtroepen door middel van luchtaanvallen op geallieerde stellingen en bijkomende luchtbombardementen. Dit gebeurde in het begin vooral met de gevreesde Junkers Jachtbommenwerpers, beter gekend als Stuka's. Deze waren zelfs letterlijk als afschrikkingseffect voorzien van sirenes die maakten als het vliegtuig in een duikvlucht afstormde op zijn doel, er een afgrijselijk gierend en afschrikkend geluid ontstond.

(Foto: Royston Color)

De standaard Stuka's konden tot 500 kg bommenlast dragen. Tegen mei 1940 waren er ook tweemotorige modellen die tot 1800 kg bommen konden vervoeren. De Stuka's werden vooral bekend (en meer nog berucht) door hun razend gegier van de motor wanneer ze stijl naar beneden doken om een doelwit te beschieten of te bombarderen. Klassiek was het eerst uit de lucht bestoken van stellingen om daarna meteen de grondaanval te laten volgen. Voor zuivere bombardementen werd gebruik gemaakt van Heinkel 111 bommenwerpers.

Daarnaast was er een tweede los onderdeel van de Luftwaffe dat werd gevormd door specifieke Jachtvliegtuigen. Bij aanvang van de oorlog waren dit de Messerschmitt 109 jachtvliegtuigen. Deze hadden als opdracht in eerste instantie het luchtruim vrij te houden van vijandige vliegtuigen.

Stuka - Junkers jachtbommenwerpers Messerschmitt 109

Foto's links: Junkers Jachtbommenwerpers - Rechtsboven: Messerschmitt 109 jachtvliegtuig - Rechtsonder: Heinkel 111 bommenwerper. (Alle foto's: Replica)

Naast een eigen luchtmacht, hadden zij ook zelf een zeer doeltreffende luchtafweer. Dit bestond eveneens uit de eerder vermelde wapens als Maximmitrailleurs, MG34's en zelfs de zwaardere 88 mm FLAK. Van deze FLAK waren ook lichtere versies beschikbaar met bv een kaliber 20 mm.

20mm FLAK geschut (Foto's Replica)

De Duitse eenheden die het hier ter hoogte van Bruggenhoofd Gent in de meidagen 40 opnamen tegen het Belgische leger

De eenheid die hier de strijd om Bruggenhoofd Gent aanging in de meidagen '40 was de 56e Infanteriedivisie (56e ID). Ten tijde van de meidagen 40 stond deze 56e ID onder leiding van Generalmajor Karl Kriebel. Deze zou reeds in Juli 1940 vervangen worden door Generalleutnant Paul von Hase. De 56e ID maakte op zijn beurt deel uit van Legergroep B dat onder bevel stond van Generaal von Bock en op zijn beurt was ingedeeld bij het 6e Leger van von Reichenau.

De 56e ID werd opgericht op 26 augustus 1939 als een Divisie bedoeld voor de 2e aanvalsgolf. (Division der 2e Welle). Het waren eenheden specifiek getraind voor deze Westfeldzug. De 56e ID was in origine ingezet bij de slag om Nederland maar omdat dit vroeger dan verwacht door de knieën ging, kwamen zij als extra troepen vrij om ingezet te worden bij de slag om België.

In het algemeen waren de aanwezige soldaten van Beierse origine. De gemiddelde leeftijd was vrij laag, namelijk 26 jaar.

De totale 56e ID zoals ze deelnam aan de aanval op Bruggehoofd Gent zou zo een 16.000 man omvat hebben. Wel opmerkelijk is dat er sprake is van ontzettend veel aanwezige paarden.

De 3 basisregimenten zouden net niet hun vuurdoop krijgen bij de inval in Polen maar daar uiteindelijk allen in reserve zonder ingezet te worden uit de strijd gehouden worden. Voor de Westfeldzug waren zij rond 10 mei 1940 gestationeerd nabij de Duits Nederlandse grens. Zij lagen te Issum-Geldern, noordoostelijk van Venlo nabij de Maas te Nederland. Uiteindelijk zou dus ook voor de meesten van de 56e ID de 18-daagse veldtocht hun vuurdoop worden.

Kort samengevatte Westfeldzug van het 171e IR - 192e IR en 234e IR:

  • 10 mei 1940 - oversteken Nederland-Duitse Grens nabij Venlo
  • 11 mei 1940 - bereiken Nederland-Belgische grens
  • 15 mei 1940 - bereiken Albertkanaal nabij Turnhout
  • 17 mei 1940 - Innemen regio Mechelen, Dijle-stelling
  • 18 mei 1940 - oversteken Kanaal van Willebroek en doortrekken op Gent
  • 20-22 mei 1940 - Strijd voor Bruggenhoofd Gent
  • 25 mei 1940 - Inname Deinze en voorlopig niet verder doorgestoten wegens zware weerstand aan de Leie
  • 28 mei 1940 - Na Belgische kapitulatie doortrekken richting Belgische kust.
  • 29 mei 1940 - Oversteken IJzer ter hoogte van Keiem
  • 30 mei 1940 - Zware gevechten met Britse troepen te Bulskamp nabij het kanaal naar Bergues
  • 3 juni 1940 - Afgelost door het 208e ID wat ook meteen het einde was van hun Westfeltzug.

De 56 Infanteriedivisie bestond op zijn beurt uit 3 Infanterieregimenten. Ieder Infanterieregiment bestond op zijn beurt uit 3 Bataljons. Deze Bataljons bevatten elk 4 Compagnies. Daarnaast was er per Infanterieregiment een compagnie seintroepen en een compagnie anti-tank en lichte Infanteriekanonnen.

Ieder Regiment bezat op die manier

  • 445 automatische machinegeweren waarvan 112 zware machinegeweren.
  • 24 stuks licht infanteriegeschut (Flak 36)
  • 12 stuks 2cm Flak geschut
  • 48 Granaatlanceerders waarvan 18 zware

De 3 basis Infanterieregimenten:

  • Het 171e Infanterieregiment (171 IR) onder leiding van Oberst Gottfried von Erdmannsdorff.

Het 171e Infanterieregiment bestond uit een Regimentstaf, 3 Bataljons en een 13e en 14e Compagnie. De Staf en het 1e Bataljon waren origineel gestationeerd te Löbau. Het 2e Bataljon te Freiberg en het 3e Bataljon te Hohenstein. Het Regiment werd gegroepeerd te Bautzen.

  • Het 192e Infanterieregiment (192 IR) onder leiding van Oberst Ludwig Wolff.

Het 192e Infanterieregiment bestond uit een Regimentstaf, 3 Bataljons en een 13e en 14e Compagnie. De Staf en het 1e Bataljon waren origineel gestationeerd te Dresden, het 2e Bataljon te Kamenz en het 3e Bataljon te Radebeul.

Op Zondag 26 mei 1940 zou het trouwens ook de nogal hevige Duitse commandant Wolff van de 192e IR niet zo goed vergaan. Alle eenheden van de vroegere 56e IR kregen het aan de Scheldestelling zwaar te verduren en de 192e IR was ongeveer na deze strijd qua manschappen en materiaal gehalveerd. Al deze eenheden gingen ter hoogte van Deinze nabij de Leie op rustkantonnement. Alleen geraakte Oberst Wolff bij het naderen van een noodbrug over de Leie zwaar gewond (Je vindt zowel het verhaal terug dat hij door een kogel in zijn auto zou geraakt zijn alsook dat hij zwaar gewond geraakte door een Belgische obus). Hij geraakte hierbij in elk geval zwaar gewond in het aangezicht en verloor zijn rechter oog. Om de gezichschade te herstellen zou hij in fases in totaal 47 operaties ondergaan. Hij zou echter nog gans de oorlog een nauwe medewerker van Hitler blijven en zou het schoppen tot diens vertrouweling tot op het einde van de oorlog. Zijn doorzetten ondanks zijn zware verwondingen in zijn aangezicht zouden altijd bij Hitler als een zeer positief punt bezien worden. Hij zal uiteindelijk de oorlog overleven en overlijden in de jaren '60.

Bovenstaande foto's konden allen teruggevonden worden op de website Historic.de. Ze tonen ons bovenaan 2 portretfoto's van Generaal Wolff tijdens WO II. Hij was tijdens de rest van de oorlog fier op zijn verwondingen die hij opliep in de buurt van Deinze. De 3e foto dateert van een reunie van Duitse officieren in de jaren '60. Onderaan links ziet u generaal Wolff (links) met Hitler aan Hitlers complex van de Wolfschanze. Rechtsonder Generaal Wolff in 1941 als bevelhebber van een Duitse woestijneenheid.

  • Het 234e Infanterieregiment (234 IR) onder leiding van Oberleutnant Adalbert Kratz.

Het 234e Infanterieregiment bestond uit een Regimentstaf, 3 Bataljons en een 13e en 14e Compagnie. De Staf bevond zich te Rosswein, het 1e Bataljon te Waldheim, het 2e Bataljon te Grimma en het 3e Bataljon te Eilenburg.

Aan de 56e Infanteriedivisie werden gedurende zijn bestaan ook nog een aantal specifieke eenheden toegevoegd. Dit waren alvast ook die eenheden die er toen in mei 1940 ook deel van uitmaakten met enige detailinfo indien gekend:

  • Artillerie-Regiment 156

Dit was de artillerie-eenheid direct gekoppeld aan de 56e ID.

Deze bestond origineel uit 4 Groepen (Abteilungen) van elk 3 Batterijen.

  • 1e tot 3e Groep bevatte telkens 3 Batterijen licht veldgeschut.
  • De 4e afdeling beschikte over 12 zware Houwitzers 155 mm.
  • Pionier-Bataillon 156

Dit waren de genietroepen rechtstreeks gekoppeld aan het 56e ID.

  • Panzerjäger-Abteilung 156.

Deze eenheid werd origineel opgericht op 26 augustus 1939 als de Panzerabwehr-Abteilung 156. Het originele voertuigenbestand bestond toen uit

  • 21 motoren waarvan 8 in reserve
  • 35 Panzerkampfwagens (pantserwagens)
  • 4 Maultiere (halftrack-vrachtwagens)
  • 49 LKW (Lastkraftwagen = lichte vrachtwagens)
  • 8 Zgkw (halftrack's voor manschappenvervoer en artillerietrekker) waarvan 1 in reserve
  • 12 RSO (kleine rupsaangedreven arillerietrekkers waarvan 1 in reserve

De specifieke bewapening van de afdeling bestond uit

  • 15x 7.5cm PAK.
  • 6x 5cm PAK
  • 14x 2cm FLAK
  • 17 zware MG's
  • Aufklärungs-Abteilung 2/156.

Deze verkennerseenheid werd nochtans nog sterk ontmanteld en bestond bij aanvang van de meidagen nog enkel uit zijn 2e Schwadron Wielrijders.

  • Infanterie-Divisions-Nachrichten-Abteilung 156

Dit was de transmissie-eenheid gekoppeld aan de 56e ID.

  • Infanterie-Divisions-Nachschubführer 156

Dit was de eenheid die instond voor alles wat bevoorrading aanging. Zowel van goederen zoals brandstof en voedsel maar bv ook munitie.

  • Verwaltungsdienste 156

Dit was de eenheid die instond voor alle vormen van administratieve taken.

  • Sanitätsdienste 156

Dit omvatte alle medische eenheden alsook de bijhorende ambulances en het veldhospitaal.

  • Veterinärkompanie 156

Dit omvatte de eenheid die begaan was met de verzorging van de dieren, vooral paarden dus.

Aparte eenheden die in de meidagen 40 reeds waren toegevoegd als versterking en uitbreiding aan de 56e ID

  • Aufklärungs-Abteilung der 25e Infanterie Division (AA25)

Dit was origineel een Cavalerie-eenheid, uitgewerkt als een verkenningseenheid. Ze bestond uit een Staf (Stab) en 3 Groepen (Schwadrons). Deze eenheid stond onder leiding van Oberleutnant Rodt.

  • Staf (Stab)
  • 1e (Reiter) Schwadron (ruiters)
  • 2e (Radfahr) Schwadron (motoren)
  • 3e (Schwere) Schwadron (pantserwagens)

In hoofdzaak bestond deze eenheid dus vooral uit ruiterij, motoren en licht gepantserde verkenningsvoertuigen.

Toen de 18 daagse veldtocht al bezig was, werden geleidelijk aan ook nog versterkingen en aanvullingen toegevoegd. Onderstaande eenheden kreeg de 56e ID toegewezen vanaf 12/05/1940.

  • De Pantzerjäger Abteilung 563
  • 6e Machinengewehr Bataljon

Om de aanvallen op Bruggenhoofd Gent te kunnen aanvatten, werden er vanaf 19/05/1940 nog eens deze aan artillerie gekoppelde eenheden toegevoegd:

  • Artillerie Staf Regiment 617
  • 128e Artillerieregiment
  • 11e Batterij van het 67e Artillerieregiment
  • 128e Artillerieregiment
  • 445e Artillerieregiment
  • 19e Waarnemingsafdeling

Literatuur toegepast voor deze omschrijving:

  • Melle 1914-1918 1940-1944 - George Van Oostende
  • Die Maschinenpistole 40 - Beschreibung hun handhabung - Heinz Denkler - Berlin C2.
  • Gazette des uniformes - N°23 Jan - Feb 1975

Gebruikte externe webbronnen voor deze tekst:

Home Terug naar bovenkant pagina Vorige Volgende